Geplaatst op

Versterker revisies

Het rechter kanaal van een Sansui G-22000 eindtrap

Bij het reviseren van een versterker komt het nodige kijken en kennis van de diverse apparaten is een noodzaak om ook met een gereviseerd apparaat de volgende (tientallen) jaren weer met veel plezier muziek te kunnen beluisteren.

Wat komt er zoal kijken bij het reviseren van een versterker;

Allereerst is het belangrijk een onderscheid te maken in zowel de herkomst van het apparaat als ook de periode waarin het geproduceerd is. Wat componenten betreft zijn er met name verschillen in Europese, Amerikaanse en Japanse apparaten. Niet wat betreft functionaliteit, die is eigenlijk wereldwijd hetzelfde, maar wel wat betreft coderingen en uitvoeringen van bijvoorbeeld transistors en condensatoren.

Dan zijn er wezenlijke verschillen per bouwperiode. Transistors werden bijvoorbeeld vóór 1970 amper toegepast, het was buizen, buizen en nog eens buizen wat toen de klok sloeg. Vanaf de jaren ’70 maakten de buizen in consumentenelektronica plaats voor transistors die in de loop der jaren vaak ook nog flink in kwaliteit verbeterden. Bepaalde transistors uit de jaren ’70 staan ondertussen bekend als “problematisch”, ze zitten in enorm veel producten uit die tijd en dienen bij een revisie vervangen te worden.

De kwaliteit van condensatoren uit de jaren ’70 is ondertussen, na zo’n veertig jaar trouwe dienst, ook niet meer wat het geweest is. Ook die moeten bij een revisie (grotendeels) vervangen worden.

De jaren ’80 kennen betere transistors en condensatoren die vaak nog niet versleten zijn, maar apparatuur uit die tijd kenmerkt zich juist weer vaak in problemen met soldeerverbindingen. Omdat de concurrentie van met name de Japanse merken zich in die tijd verhevigde moest er goedkoper geproduceerd worden en dat vertaalde zich in bezuinigen waar dat kon. Elco’s en transistors (+ alle andere componenten, zoals weerstanden, spoelen etc.) waren in die tijd zowel goedkoop als betrouwbaar, maar op de hoeveelheid soldeer kon bijvoorbeeld nog wel bezuinigd worden. Je ziet daarom dat apparaten uit die tijd het wat betreft soldeerverbindingen nu een beetje aan het opgeven zijn. Dat kan zonder al te veel problemen hersteld worden, maar het is vaak wel een flinke hoeveelheid werk. Maar ook op andere dingen werd bezuinigd, de kwaliteit van potmeters en schakelaars is talloze malen minder dan die gebruikt werden in de jaren ’70, die voor de eeuwigheid gebouwd leken. Toch zie je ook wel weer dat ondanks de minimale kwaliteitsmarges dat soort componenten het toch lang vol weten te houden, een typisch kenmerk van Japans productontwerp; met zo min mogelijk materiaal iets maken wat toch een behoorlijke tijd meegaat.

Producten uit de latere periodes hebben ook zo weer hun specifieke problemen, maar omdat ik daar zelf niet aan werk vallen die een beetje buiten het kader hier. Misschien wel interessant om toch even te noemen; de soldeerproblemen zijn uiteindelijk wel weer opgelost, maar door (wellicht) bezuinigingen of gewoon te weinig kennis (vroege niet-Japanse productie) zijn er aardig wat problemen geweest met bijvoorbeeld condensatoren en een soms inferieure kwaliteit van andere componenten, zoals schakelaars en potmeters.

Wellicht dat het is opgevallen, maar uiteindelijk heb ik alleen nog maar gerefereerd aan Aziatische zaken. Dat is omdat uiteindelijk het bulk van de audio- en hifi-producten geproduceerd werden in Azië. Van oorsprong Amerikaanse merken zoals Marantz en Harman\Kardon verplaatsten hun productie naar Azië, evenals het Europese Philips. En tegenwoordig is die trend alleen nog maar meer doorgezet.

De tijdens een revisie vervangen componenten van een Sansui AU-4900 versterker

Op bovenstaand plaatje is goed te zien wat er bij een revisie aan een versterker zoal wordt vervangen. Van links bovenaf gezien zien we elektrolytische condensatoren (elco’s, de zwarte, blauwe, grijze en oranje “beschuitbusjes met pootjes”), rechts daarvan twee zekeringen en daaronder een rij transistors met daar weer onder een rij diodes. De twee meest linker transistors zijn zogenaamde dubbeltransistors die vaak problemen geven. Nieuw niet meer te krijgen, maar met wat knip en plakwerk goed te vervangen, eigenlijk zelfs beter dan het origineel. Rechts van de transistors nog een flink aantal kleine, waarvan de linker last hebben van het “zwarte pootjes syndroom” en waarvan de rechter een aantal als slecht bekende staande types vertegenwoordigt.

Een transistor met het zwarte pootjes syndroom

Waaraan kan je afleiden dat een versterker gereviseerd moet worden?

Eigenlijk is dat niet heel erg moeilijk. Voor het goede moet een versterker uit de ’70-er jaren sowieso gereviseerd worden en die uit de ’80-er tot eind ’90-er jaren gecontroleerd op slechte soldeerverbindingen.

Maar je kunt natuurlijk ook kijken naar de klachten die kunnen ontstaan. Gekraak in de luidsprekers bij draaien aan potmeters en gebruik van schakelaars is doorgaans geen slijtage, maar vervuiling of oxydatie (of de combinatie). Dit kan wel vaak zó erg zijn dat een heel kanaal uitvalt of de versterkers zelfs helemaal niets meer doet. Toch zijn dit soort dingen vaak wel op te lossen met alleen een beurt (maar doe het niet zelf, want de verschillende soorten spuitbussen zoals WD 40 en Kontakt 60 die er vaak voor gebruikt worden doen meeastal meer kwaad dan goed).

Een sterk vervuilde en gecorrodeerde tuimelschakelaar

Ernstiger wordt het als er geruis of gekraak te horen is als het apparaat niet wordt aangeraakt. Soms kan het zelfs zulke klappen geven dat je er echt van schrikt, zelfs als het volume op nul staat! (ook heel slecht voor de luidsprekers). Dat laatste is eigenlijk altijd een transistor die op het punt staat van overlijden. Hij is nog niet helemaal stuk (anders zou de versterker in protectie gaan, de luidsprekerzekering doorbranden – of, in het slechtste geval – de luidspreker zelf doorbranden). Verder kan ruisen en kraken veroorzaakt worden door versleten transistors of slechte soldeerverbindingen. Een ander mogelijk kenmerk is een brom, dat zijn dan vaak weer slechte of defecte elco’s.

Hier wordt een van de grote voedingscondensatoren gecontroleerd

Verbetert de geluidskwaliteit na een revisie?

Dat kan, maar hoeft niet. Uiteraard is gekraak, gebrom en geruis vervelend, echt iets wat het luisterplezier kan vergallen, maar het is niet per definitie van invloed op de kwaliteit van het geluid an sich (na een revisie is het uiteraard wel weer opgelost). De geluidskwaliteit zelf echter verbetert niet per definitie na een revisie. Ook is het zo dat het toepassen van andere, duurdere of speciale audiocomponenten eigenlijk niets tot nagenoeg niets verandert aan de geluidskwaliteit. In feite zit de geluidskwaliteit ingebakken in het “design”. Zo is er een wezenlijk verschil tussen condensator (eind)gekoppelde versterkers (zoals een Marantz 1060) en versterkers waarbij dat niet zo is. Maar verder verschillende de versterkers onderling eigenlijk niet veel van elkaar. Wat wel uitmaakt, iets wat mee wordt genomen bij een revisie – en in feite zelfs de laatste handeling is – is het goed afstellen van ruststroom van de eindtransistors en DC balans op de luidsprekeruitgangen van de versterker. Beide instellingen dienen om vervorming te voorkomen. De ruststroom mag niet te laag zijn (dan vervorming), maar ook weer niet te hoog (warmteontwikkeling, overmatige slijtage en stroomverbruik), de DC (gelijkstroom) balans mag zo min mogelijk afwijken naar plus of naar min (nul, vandaar ook “balans”), wat eigenlijk betekent dat er geen gelijkstroom in het uiteindelijke luidsprekersignaal mag komen, daar mag namelijk alleen maar AC (wisselstroom) naar toe.

Het afstellen van de ruststroom bij een Sansui G-22000 eindversterker
En de DC balans bij de voorversterker van deze Sansui G-22000. Dit is hoe de instelling was, hij hoort op (of zoveel mogelijk bij) nul te staan.

 

 

 

Geplaatst op Geef een reactie

Revisie Luxman 707 II

Untitled-1 copy

Volgens de schamele gegevens die er voorhanden zijn over de  geschiedenis van het Japanse audiomerk Luxman zou deze vroege transistorversterker eind jaren ’60, begin jaren ’70 geproduceerd moeten zijn.

Die eerste Luxman transistorversterkers stonden altijd al bekend om hun vakbekwame ontwerp en zeer degelijke constructie, maar vooral bij liefhebbers ook om de bovengemiddeld mooie “sound”.   Deze 707 II is daarop geen uitzondering, er zit een opvallend mooi geluid in. Dat je er geen house party mee in vuur en vlam kan zetten is een bijkomstigheid, hij is veel beter geschikt om bij in de luie stoel rustig achterover te leunen en te genieten van een goed stuk muziek. En, hoorde je er nog nooit één, je zult verbaasd zijn over alle muzikaliteit die er verborgen heeft gezeten in de muziek die je dacht zo goed te kennen.

Natuurlijk zijn dit apparaten die al een heel leven achter de rug hebben. Het exemplaar wat ik onderhanden heb mogen nemen was dat alleen niet heel erg aan te zien, zij(*) zag er erg mooi uit. De eigenaar, voor wie ik deze versterker reviseerde, heeft haar speciaal uit België laten overkomen, omdat juist daar een mooie werd aangeboden en hij – als verzamelaar – niet alleen het technische aspect van belang vindt, maar ook de juiste optiek op waarde schat.

Aan mij werd de vraag gesteld of ik het technische gedeelte weer “up to spec” wilde maken. Graag, ik houd er van dit soort versterkers te reviseren, uit respect voor de toewijding waarmee dit ooit is ontworpen en geproduceerd.

Wat vaak een issue is bij deze versterkers is het “verlopen” van een deel van de oorspronkelijke transistors. De “power transistors” zijn zolang een versterker het nog doet eigenlijk nooit het probleem, met de zogenaamde “kleinsignaal transistors” ligt dat anders. Ook bij deze versterker waren die niet meer optimaal, iets wat zich uitte in het flink ruisen van het rechter kanaal, wat ook hoorbaar bleef als het volume op nul stond gedraaid. Om die reden zijn alle kleinsignaaltransistors vervangen.

Verder zijn bij deze versterker ook de elco’s (electrolytische condensatoren) vervangen. Allemaal, ook de “grote” uit de voeding. Grote tussen aanhalingstekens, omdat ’t eigenlijk een kleintje is, bovendien ook nog eens in z’n eentje, terwijl twee in de voeding gebruikelijker is. De vraag vooraf is eigenlijk altijd; is het nodig om die elco’s te vervangen? Voor de versterkers uit begin jaren ’70 is die vraag niet altijd makkelijk te beantwoorden, voor latere bouwjaren wel, dan is het antwoord simpelweg “Ja!”. De kwaliteit van elco’s is vanaf de jaren ’80 afgenomen, juist de oudjes doen het vaak nog goed. Toch is de vraag ook hier pas goed te beantwoorden nadat je alle elco’s hebt verwijderd en buiten de print hebt getest. Omdat, het gros van het werk dan toch al is gedaan, betekent het hier eigenlijk ook altijd “Ja!”, de meerkosten staan niet in verhouding tot de kosten van een reparatie als er een keer een elco sneuvelt, wat in het slechtste geval tot gevolg kan hebben dat de – niet meer origineel te krijgen – eindtransistors doorbranden. Bij deze versterker waren de elco’s nog allemaal functionerend, maar er zat toch een aardig aantal bij dat niet meer voldeed aan de fabrieksspecificaties.

Een katje om zonder handschoenen aan te pakken is deze versterker niet; er is geen enkele afdruk of referentie op de print, bovendien is het schamele schema wat er voorhanden is ook nog eens behoorlijk incompleet. Daar stonden maar 27 elco’s op, terwijl er uiteindelijk  37 in bleken te zitten. Daar gaat je planning :). Toch, de charme en de geluidskwaliteit van het apparaat doen je dat snel vergeten.

En zeker na de revisie,  deze versterker klinkt nu weer echt optimaal. De ruis is er uit, je kunt nu weer echt genieten van de enorm mooie sound die er van oorsprong wel in zit, maar door de ouderdom wat op de achtergrond was geraakt. Revisie? Ach, in deze tijden praten we eerder over een make-over :).

* De eigenaar vindt dat versterkers vrouwelijk zijn.

Geplaatst op Geef een reactie

Revisie Marantz 1060

faceplate

De Marantz 1060 is een heel bijzondere versterker, hij is namelijk wat muzikaliteit aangaat bijna high end, maar dan – destijds – voor een low end prijs. En eigenlijk nog, nog steeds een “Geheimtipp” zoals onze Oosterburen dat zo mooi zeggen. Hij klinkt namelijk geweldig, maar is nooit zo specifiek om die reden in de markt gezet. Ik heb wel mijn vermoedens waarom dat desondanks zo is; het is namelijk de eerste voor het van oorsprong Amerikaanse Marantz in Japan geproduceerde versterker. Je zou bijna zeggen dat ze, omdat ze zo graag die markt wilden veroveren, ook alles uit de kast hebben getrokken om het de Amerikanen naar hun zin te maken. Waar of niet, het is wel gelukt!

De eerste 1060’s (en 1030’s, het kleinere broertje) werden begin jaren ’70 geproduceerd. Technisch gezien betekent dat dat ze zeer degelijk geconstrueerd zijn, maar ze uiteraard langzaam maar zeker wat specifieke ouderdomskwaaltjes niet kwalijk genomen mag worden.

De netschakelaar is heel vaak kapot, iets wat met een beetje onderhoud waarschijnlijk voorkomen had kunnen worden.

Daarnaast hebben ze ook bijna allemaal last van aftakelende kleinsignaal transistors, wat ruis en storing veroorzaakt op één van de twee of beide kanalen.

De electrolytische condensatoren, die eigenlijk behoren tot het standaard vervangingspakket, zijn vaak nog heel redelijk, maar kunnen het beste wel vervangen worden. Het draagt bij aan de geluidskwaliteit (vaak een betere basweergave) en voorkomt ook problemen die zich vroeg of laat een keer voor zullen gaan doen, met name het doorbranden van de vaak lastig te vervangen eind (of power) transistors.

Voor de 1060 zijn nog wel vervangende eindtransistors te krijgen als de originele defect zijn, maar voor de 1030 worden ze echt niet meer gemaakt. Wat je daar nog van tegenkomt is “NOS” (new old stock) of – en dat is tegenwoordig een groot probleem – namaak! Je moet echt weten wat en waar je die onderdelen vandaan haalt, omdat je er anders voor nop een hoop tijd en geld in investeert.

Uiteindelijk zijn doorgebrande power transistors voor de 1030 ook nog wel op te lossen, maar er moet aardig wat voor verbouwd worden, voorkomen is hier echt altijd beter dan genezen.